hongerkinderen de opvang in friesland

Het is najaar 1944. Het zuiden van Nederland is grotendeels bevrijd, maar de Geallieerde opmars stokt. De grote steden in het westen zijn nog altijd bezet. De Duitsers verbieden voedseltransporten naar de Randstad. De situatie verslechtert snel. In winkels is bijna niets meer te koop en de Duitsers nemen voedsel in beslag. Porties worden kleiner en in plaats van aardappelen werden suikerbieten en tulpenbollen verkocht.

In noordelijke provincies als Friesland is nog wel genoeg te eten. Er is zelfs meer eten dan in de voorgaande jaren, doordat er nauwelijks meer landbouwproducten naar het westen gaan. Uit wanhoop sturen ouders hun ondervoede kinderen daarom ‘naar de boeren’. Een enorme operatie waarbij talloze Nederlanders zich inzetten om de kinderen te redden van de hongerdood. De kinderen worden met schepen, autobussen, vrachtwagens, treinen en soms zelfs lopend of fietsend op reis gestuurd. Het onbekende tegemoet.

70 jaar na de hongerwinter belicht het Fries Verzetsmuseum dit indrukwekkende hoofdstuk uit de geschiedenis vanuit een Fries perspectief. De tentoonstelling Hongerkinderen. De opvang in Friesland vertelt het aangrijpende verhaal van hongerevacuees die in Friesland werden opgevangen. Kern van de expositie vormen de belevenissen van drie hongerkinderen uit West-Nederland en de verhalen van drie Friese gezinnen die destijds betrokken waren bij de opvang van hongerkinderen.

De documentaire Naar de boeren! vertelt ook het verhaal van de hongerkinderen. Het bijna anderhalf uur durende filmverhaal begint in de Hongerwinter van 1944-1945, op het moment dat interkerkelijke bureaus besluiten tot een grootscheepse operatie. Jack de Zwart, een 12-jarig Haags bleekneusje, staat centraal in de film. Het bijzondere hieraan is dat hij de vader is van de regisseur, Raoul de Zwart.