helm

De helm met adelaar en hakenkruis werd in een verkleedkist bewaard. Binnenin de helm stond ‘Anton Schubert’ geschreven. Wie was hij? Dood, zoveel is zeker. Documentairemaker Marten Minkema onderneemt een eigenzinnige speurtocht naar de identiteit van de vermoedelijke eigenaar.

Deze helm is nu te zien in het Fries Verzetsmuseum en was aanleiding van een indrukwekkende zoektocht van documentairemaker Marten Minkema. Wat hebben The Beatles, een landbouwer uit een Tsjechoslowaaks dorp en een kleinzoon van een dorpsdokter uit Ureterp met elkaar te maken? Beluister hier het radiofragment van OVT-Het Spoor terug. Lees het verhaal hieronder. 
 

ureterp

Het is een gaaf exemplaar in het donkerste grijs, tegen het zwart aan. Geen gaten of butsen, alleen met wat krasjes uit de oorlog. En vanwege ons kinderspel. De helm lag in een verkleedkist bij ons thuis in Drachten, zo groot en vol kleren dat je erin kon duiken met de benen omhoog. Dan vond je nog meer oude helmen, van de brandweer en spoorwerkers, maar deze helm had iets extra’s. Deze was duister, een slechte. Dus heerlijk om mee buiten te spelen, houten geweertje erbij. Het was midden jaren zeventig en mensen op straat zijn vast geschrokken van die onmiskenbare vorm, met de adelaar opzij, een hakenkruis in z’n klauwen. Pas jaren later bekeek ik de binnenkant. Op het leer staat een naam: Anton Schubert. Nog niets wist ik van de merkwaardige opvolging van toeval en gevolg waardoor deze helm hier in de kist is geraakt én de Beatles naar Nederland kwamen.

Begin april 1945 hangt er lente en bevrijding in de lucht in het Friese dorp Ureterp, waar mijn grootvader Harm Minkema dorpsdokter is. Een vriendelijke, kalende man in een nonchalante Baantjerjas die van roken, voetbal en dammen houdt en goed kan vloeken. Als hij naar de andere kant van het dorp spoedt voor een bevalling en het blijkt nog geen tijd, vraagt hij de vrouw een beetje op te schikken zodat hij in afwachting een tukje kan doen. Die sfeer dus, maar het is ook oorlog. Waarin de dokter er voor iedereen is, onderduikers incluis. 

Zo kent hij Robbert van Santen, een Joodse onderduiker van achttien jaar uit Amsterdam die afschuwelijke dingen had gezien in de Hollandsche Schouwburg. Terwijl hij daar eten rondbracht namens de Joodse Raad, werden honderden in de zaal omgeroepen voor transport naar Westerbork. Robbert ontsprong de dans en leeft nu al twee jaar ‘onder de vensterbank’ bij het Ureterpse gezin van Jan Lammert van der Broek, een eind verderop in de straat. Het hoofd blond van de waterstofperoxide en vol woede, angst en ondraaglijke onzekerheid over het lot van zijn familie, beent hij heen en weer in een alkoof met bedstee van zestig centimeter breed en twee meter lang. Maar dat is bijna voorbij. Robbert kan af en toe naar buiten, en oefent dan samen met Jan Lammert met stenguns die door een Engels vliegtuig zijn gedropt. Ze zitten bij de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) die Friesland zelf willen bevrijden voordat de Canadezen komen.


knaloranje

Jakob-Jan Minkema (geheel rechts) en jeugdvriend Wieger Gorter achterop een Canadese minitank, bij Ureterp, april 1945 © Familie-archief Onbelet

Op dertien april lijkt de tijd rijp en verschijnt de BS een dozijn man sterk in Ureterp op straat met wapens, blauwe overalls en deels knaloranje geverfde Duitse helmen. Dat laatste is natuurlijk naïef – zoiets als het sigaretje opsteken boven de loopgraven. Toch lukt het Robbert, Jan Lammert en de andere bs’ers om meer dan dertig collaborateurs, landwachters en langsfietsende Duitse soldaten gevangen te zetten in de schuur achter café Gorter aan de hoofdweg van het dorp. De behandeling binnen is niet zachtzinnig. 

Hoe dan ook valt het de bewaking te zwaar, en twee leden gaan er ’s nachts op uit om de Canadezen te halen. Vanuit het café hebben de BS’ers zolang goed zicht op alles wat voorbijkomt en op het huis van mijn grootouders aan de overkant van de straat. Wat ze niet weten is dat de missie naar de Canadezen is gestrand en een van de boodschappers doodgeschoten, waarschijnlijk per abuis door een Franse parachutist.

kruisvuur

In de donkere vroegte van veertien april ratelt vanuit het oosten een kar met twee paarden het dorp binnen, met erop en erachter vijfenveertig Duitsers. Ze zijn op de vlucht, ze willen door, ze zijn geoefend en met veel, dus je zou zeggen: laat gaan. Maar de bs’ers schieten meteen, misschien omdat ze snel hulp verwachten. De paarden vallen neer, de Duitsers antwoorden met mitrailleurs en pantservuisten en schieten café Gorter in puin. Door het kruisvuur vliegt ook bij mijn grootouders van alles naar binnen. Ze springen net op tijd uit bed, vlak voordat een kogel het hoofdeinde raakt. Beneden suist een scherf in de kast door twee medische boeken, die met hun kaften onlosmakelijk in elkaar verwrongen raken. Buiten sneuvelt een jongen die op het verkeerde moment de hoek om kijkt, en vijf BS’ers, onder wie Jan Lammert die zich langs de straat in een mangat heeft verschanst. Robbert vlucht vanuit de schuur van Gorter de weilanden in, naar het westen waar de Canadezen zouden zitten. Omkijkend ziet hij tegen de ochtendschemer het silhouet van een knielende Duitser die zijn geweer op hem richt. Robbert schiet als eerste en de soldaat valt dood neer in een greppel. 

In Ureterp hebben de Duitsers controle en zijn woedend, ze eisen nieuwe paarden terwijl ze een gezinnetje onder schot houden en dreigen met het platbranden van het dorp. Ze zijn druk met het verzamelen van weckflessen en andere proviand uit de huizen, als plotseling toch Canadese pantservoertuigen binnenrijden. De rollen zijn meteen omgedraaid. Ook de nieuwe paarden liggen snel dood op straat en na een kwartier is het afgelopen voor de Duitsers. Het doktershuis stroomt vol met hun gewonden en doden, en nog dezelfde dag verdwijnen vijf Duitse lichamen in een verzamelgraf. Alleen een helm blijft achter in huis. Van een dode Duitser, zo hoor ik als kind. Het valt niet meer na te vragen, niemand leeft meer die het kan bevestigen.

identificatie

Ik zet hem nog eens op. Vroeger was de helm veel te groot, nu krijg ik hem geeneens over mijn oren. Het moet een kleine man zijn geweest, die Anton Schubert. En een pechvogel, om op de laatste dag te sneuvelen. De emblemen op de helm zijn van de ‘Luftwaffe’. Voor zijn naam staat ‘flg.’ wat ‘Flieger’ betekent, de laagste rang. Misschien zat hij bij de luchtafweer. Mijn nieuwsgierigheid groeit. De gevallen BS’ers zijn allemaal bekend, met eer begraven en krijgen nog steeds bloemen. Maar wie weet hoe de hier gedode Duitsers heetten? De oorlog voelt nog niet voorbij, ik moet hier iets mee doen; die helm terugbrengen naar de familie Schubert. Maar welke familie Schubert? Elke soldaat draagt een metalen plaatje met persoonlijk nummer op het lijf, dat meestal ook het graf in gaat voor identificatie. Dat moet ik zien te vinden. 

Het Ureterpse verzamelgraf blijkt in 1951 verplaatst naar de Duitse militaire begraafplaats van Ysselsteyn in Limburg. De Nederlandse Gravendienst heeft toen namen opgespoord bij drie lichamen, daar zit geen Schubert bij. Het vierde lichaam is waarschijnlijk van een ex-Nederlander in Duitse dienst en alleen het vijfde, onbekende lichaam kan Anton zijn. Dat zou betekenen dat hij vermist is. Dat er nog steeds kinderen, een broer, zus, neven of nichten zijn die niet weten hoe en waar hij is gesneuveld. Nu mag ik beslist niet meer afhaken en zoek aanknopingspunten.

Besmuikt

Opvallend veel gesneuvelde ‘Luftwaffe’-soldaten rond Ureterp kwamen uit Oostenrijk. Laat ik daar beginnen. Het is een relatief klein land, waar vast minder Anton Schuberts rondliepen dan in Duitsland. Maar bij het Staatsarchief in Wenen hoor ik besmuikt lachen. ‘En u heeft alleen een naam?’ Geen kans, weet de man aan de andere kant van de lijn. En de Oostenrijkse archieven zijn verre van compleet. ‘Bovendien, dit was onze oorlog niet.’ Na drie seconden telefoonstilte volgt nog heel nadrukkelijk: ‘Ja, zo zien wij dat hier.’ Hij verwijst naar de ‘Deutsche Dienststelle’ in Berlijn waar iedereen staat geregistreerd die het Duitse leger in ging, ook de Oostenrijkers. 

Op weg naar Berlijn reis ik eerst langs de ‘Suchdienst’ van het Duitse Rode Kruis in München, waar informatie over 1,3 miljoen vermiste Duitse militairen, vrouwen en kinderen uit de Tweede Wereldoorlog bij elkaar komt. Van de meesten liggen hier foto’s, toegestuurd door radeloze familieleden en opgeborgen in lange, smalle dozen in een groot, treurigstemmend archief waar een medewerker nu in een kaartenbak bladert. Soms zie je in de benedenhoek een stuk wit. Dan is het portret bij gebrek aan alternatief uit de trouwfoto geknipt en de bruidsluier meegekomen. Nog ieder jaar krijgen honderden families bericht dat het lot van hun verlorene is ontrafeld. Onder de naam Schubert staan acht Antons, waaronder een ‘Flieger’ bij de ‘Luftwaffe’ zoals die van mijn helm. Een piepjong gezicht onder een legermutsje, verder is er nu niks over te zeggen. Ze gaan het uitzoeken, ik hoor er nog van.


verstopt

WO2-archief van de Deutsche Dienststelle met gegevens van 18 miljoen soldaten © Deutsche Dienststelle

Aangemoedigd door dit eerste succes meld ik mij de volgende dag bij de ‘Deutsche Dienststelle’ in Berlijn, het centrale militair archief in een voormalige munitiefabriek van pistolenmaker Mauser. In feite is het een hele verzameling archieven. De ‘Wehrmacht’ ligt hier, de ‘Luftwaffe’, SS en ‘Kriegsmarine’ – zonder al deze administratie had Hitler geen oorlog kunnen voeren. Tussen de kilometers mappen en kaarten met achttien miljoen soldaten is het doodstil, maar daar wil mijn brein niet aan en ik hoor ze knisperen. Ergens hiertussen klemmen de belastende papiertjes voor Günter Grass en Horst Tappert. En ook mijn Anton zit ergens verstopt, dat is zeker.

Maar waar? Zodra ik de bakken vol Anton Schuberts zie, zinkt de moed mij in de schoenen. Schubert is een ‘Sammelname’, een veelvoorkomende naam waarvan honderden in dienst waren. Als houvast schuif ik de mogelijke kandidaat van het Rode Kruis naar voren. Dat maakt hier nauwelijks indruk. Zonder extra geboortedatum of plaats in de helm is geen link te leggen met een mens in het archief. En hoe weet ik dat de helm is gedragen door Schubert? Vooral aan het eind van de oorlog was aan alles gebrek, het was chaos en soldaten droegen de laarzen, riemen en helmen die ze konden vinden. Toch doet de staf haar uiterste best om mij en Anton te helpen. Ik krijg een rondleiding door kaartenzalen via mappengangen naar rolkasthallen, langs alle formulieren en brieven die ze hebben over die veertiende april in Ureterp. Nog na mijn vertrek doen ze uren research, maar een verband tussen een flg. Anton Schubert en Nederland in de lente van 1945 kommt nicht im Frage.


beatles

 Robbert van Santen (2e van links) met The Beatles, 1964 © Bob van Dam, NFM

Terug in de trein lees ik de herinneringen die Robbert van Santen lang na de oorlog opschreef. In juni 1945 fietst hij van Ureterp over verwoeste wegen richting Amsterdam, waar hij zijn gezinsleden levend terugziet. Van de grote familie eromheen is weinig over. Robbert volgt een technische opleiding en loopt stage in Engeland. Daar heeft hij een prima tijd bij het gastgezin van Stanley Stern van platenmaatschappij EMI, een huishouden waar door alle evacuaties in de oorlog geen kopje meer heel is. Als dank regelt Robbert na afloop een enorme kist met plastic servies waar de hele straat genoeg aan heeft. Dat wordt nooit vergeten.

Jaren later werkt hij bij de Nederlandse importeur van Beatles-platen en komt Stern weer tegen. Die is opgeklommen bij EMI en wil wat terugdoen. Speciaal voor Robbert zal Stern de Beatles naar Nederland sturen. Dat verhaal staat goed beschreven in het in 2014 verschenen boek "The Beatles in Holland", ook dat Robbert een akelige flashback krijgt tijdens hun concert in Blokker. Door het uitzinnige gegil in de zaal wordt hij twintig jaar teruggeworpen in de tijd, staat weer in de Hollandsche Schouwburg en ziet hoe een zwangere Joodse vrouw in de buik wordt geschoten door een Duitser. Terwijl ze samen met haar baby sterft in het gangpad, mogen haar man en kinderen niet dichterbij komen. In het Blokker van 1964 raakt Robbert totaal de kluts kwijt en de zaalbewaking moet hem naar buiten brengen.

vermist

Op de mat valt een dikke brief van het Duitse Rode Kruis. Ze hebben de flg. Anton Schubert achter de foto uitgezocht. Hij is in 1926 geboren in een Tsjechoslowaaks dorp dat niet meer op de kaart staat. Anton was landbouwer, ongetrouwd, kinderloos en tijdens de oorlog bij de ‘Fallschirmjäger’. Aan het eind vecht hij mee in het Ardennenoffensief en raakt januari 1945 vermist bij Trier, hoewel later nog een teken van leven komt uit Aken.

Daarna is het stil. Conclusie van de brief: ‘Anton Schubert blijft zoals voorheen bij de mensen die verdwenen zijn en waarvan het lot onbekend is.’ Kortom, het glas is leeg. Toch zie ik duidelijk nog een laagje hoop op de bodem. Aken is niet ver weg van de Nederlandse grens en veel dichterbij dan Trier. Dat betekent een beweging naar het noorden en het zou dus goed kunnen. Maar ja, evengoed niet. En stel dat ik met veel moeite nog een neef of nicht van Anton kan vinden, wat heb ik dan te bieden behalve de vraag of ze kleine schedels hebben in de familie? Wie zegt dat de drager van de helm in Ureterp nog Schubert heette? Nee, het is te mager om met zo’n helm met hakenkruis aan te kloppen en voor te stellen om te gaan graven in Ysselsteyn. Dat wil zeggen, voor het moment. Maar ik blijf zoeken.

Robbert van Santen worstelt de rest van zijn leven met oorlogstrauma’s. Kort voor zijn overlijden in 2003 maakt hij een verontrustend bronzen beeld van een Duitse helm, met eronder een spookachtig hoofd op een vervormde davidster. Misschien zag Robbert de helm die hier nu op tafel ligt, daar in dat vroege ochtendlicht van die laatste oorlogsdag in die Friese weide. Wat als Anton net even eerder had geschoten? Toeval en gevolg.